Natuurtoets bij omgevingsvergunningaanvragen?

Wijk bij Duurstede, 17 november 2017. Op 4 oktober stelde GroenLinks schriftelijke vragen over de “Natuurtoets bij omgevingsvergunningaanvragen” die op 14 november door wethouder Marchal werden beantwoord en sinds 17 november zijn te lezen op de website van de gemeente.

Vraag 1: Wordt bij beoordeling van aanvragen tot omgevingsvergunningen de volledigheidstoets voldoende toegepast? Wordt daarbij in het bijzonder de Wet natuurbescherming voldoende betrokken?

  • Antwoord: Elke omgevingsvergunningaanvraag wordt getoetst aan de volledigheidseisen zoals deze zijn opgenomen in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). In de praktijk wordt niet volledig aan het Bouwbesluit 2012 getoetst. Deze onvolledige toetsing heeft te maken met het feit dat het Bouwbesluit 2012 zeer uitgebreid is en dat het onbegonnen werk is om alle aspecten te toetsen. Hierbij ontbreekt specialistische software om bepaalde aspecten van het Bouwbesluit 2012 te toetsen, waaronder energiezuinigheid en milieu. Daarom ligt de nadruk bij de toetsing aan het Bouwbesluit 2012 op aspecten zoals de constructieve veiligheid, de brandveiligheid, de ventilatievoorzieningen en de daglichttoetreding. Via opleiding en capaciteitsuitbreiding willen we de toetsing aan het Bouwbesluit 2012 intensiveren, met name ten aanzien van duurzaamheid (energieprestatie). Hoewel de toets aan het Bouwbesluit 2012 niet volledig is, achten wij deze toets wel voldoende. Met betrekking tot de Wet natuurbescherming wordt volledig aan deze wet getoetst indien sprake is van een uitgebreide procedure, zoals een bestemmingsplanprocedure of een projectbesluit (omgevingsvergunningaanvraag met goede ruimtelijke onderbouwing). Echter, bij omgevingsvergunningaanvragen waarbij de reguliere procedure van toepassing is, wordt niet volledig getoetst aan de Wet natuurbescherming. Wij zijn voornemens om hier een verbeterslag te maken. Zie het antwoord bij vraag 3.

Vraag 2: Als onderdeel van de omgevingsvergunning kan aangehaakt worden met een globale toets op natuuraspecten (de natuurtoets). In hoeverre is daarvan tot op heden gebruikgemaakt en op welke wijze geeft de gemeente invulling aan die toets? Welke wijzigingen in procedure en controle zijn in dat kader aangebracht?

  • Antwoord: Tot op heden is nog niet sprake geweest van een omgevingsvergunningaanvraag waarbij wij aan het college van GS van de provincie Utrecht een VVGB (verklaring van geen bedenkingen) hebben moeten vragen in het kader van de Wet natuurbescherming. De andere situatie heeft zich wel voorgedaan. Dit is de situatie waarbij eerst een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming bij het college van GS wordt aangevraagd en waarbij vervolgens een omgevingsvergunningaanvraag bij het college van B&W wordt ingediend. In deze situatie zijn beide vergunningaanvragen losgekoppeld. Het college van GS van de provincie Utrecht is het bevoegde gezag bij de aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming en het college van B&W van de gemeente is het bevoegde gezag bij de omgevingsvergunningaanvraag.

Vraag 3: Heeft de gemeente de benodigde kennis in huis om deze taak uit te voeren? Welke stappen zijn gezet om invulling te geven aan de (door de provincie) vereiste grotere inzet/expertise voor deze nieuwe taakstelling?

  • Antwoord: Voor een goede uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) op het gebied van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn door de VNG, het IPO en het Rijk (ministerie van I&M) landelijke kwaliteitseisen ontwikkeld. Provincies en gemeenten zijn samen verantwoordelijk voor de kwaliteit van de VTHtaken. De Wabo-taken zijn onder te verdelen in thuistaken, basistaken en plustaken. Het Rijk heeft bepaald dat de uitvoering van de basistaken verplicht moeten worden ondergebracht bij de omgevingsdienst. Voor de overige taken geldt dat deze worden uitgevoerd door de gemeente. De gemeente kan er echter voor kiezen de uitvoering van die overige taken ook onder te brengen bij de omgevingsdienst. We spreken in dat geval over ‘plustaken’. De taken die de gemeente zelf blijft uitvoeren (bijv. vergunningverlening voor de activiteit ‘bouwen’) noemt men thuistaken. Het is de bedoeling dat burgemeester en wethouders die deelnemen in de gemeenschappelijke regeling van de omgevingsdienst, in gezamenlijkheid een uniform beleid voor de uitvoering en handhaving van in ieder geval de basistaken door de omgevingsdienst overeenkomen. Voor plustaken geldt deze verplichting niet. De gemeente heeft zelf niet voldoende kennis in huis om de natuurtoets bij omgevingsvergunningaanvragen uit te voeren. Wij onderzoeken of we deze taak bij de ODRU (Omgevingsdienst Regio Utrecht) neer kunnen leggen. De natuurtoets bij omgevingsvergunningaanvragen wordt daarmee een plustaak. Een ecoloog van de ODRU zal dan de volledigheidstoets doen m.b.t. de Wet natuurbescherming. Hierbij zal hij d.m.v. een globale toets beoordelen of er een quick scan (beperkt onderzoek) noodzakelijk is. Indien een quick scan noodzakelijk is, dan zal de aanvrager worden verzocht om ontbrekende gegevens in te dienen. Per 1 juli 2017 zijn de basistaken voor de omgevingsdienst opgenomen in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Binnenkort zal daarover overleg plaatsvinden met de ODRU. In dat kader zal ook de natuurtoets als plustaak worden besproken.

Vraag 4: Voert de gemeente de groene handhavingstaken zelf uit of is dit bij de RUD belegd? In het eerste geval, hoe zal de afstemming tussen de gemeente en provincie plaatsvinden?

  • Antwoord: De groene handhavingstaken voert de gemeente niet zelf uit. De ODRU voert deze taken alleen uit voor zover ze betrekking hebben op bedrijven (inrichtingen). Op 7 oktober 2016 is in het PMO (provinciale milieuoverleg) het convenant “optreden op elkaars grondgebied voor BOA’s domein II, provincie Utrecht” ondertekend door verschillende partijen, waaronder de provincie Utrecht, Staatsbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten, Stichting Utrechts Landschap, Recreatie Midden-Nederland, particuliere landgoedeigenaren en verschillende gemeenten, waaronder Wijk bij Duurstede. Door dit convenant wordt de bestaande BOA-capaciteit effectiever en efficiënter ingezet om de handhaving in het Utrechtse buitengebied te verbeteren. De groene BOA (bijzondere opsporingsambtenaar) ziet toe op activiteiten zoals kappen, stropen en op crossen in natuurgebieden. Het optreden van BOA’s wordt ingeperkt door de geografische ligging van het werkterrein van hun opdrachtgever. Zij mogen niet zomaar opereren op het terrein van de buren, terwijl dat wel wenselijk kan zijn. Dit convenant heeft deze juridische blokkade opgeheven. Het maken van nadere afspraken, waaronder de financiële afspraken, zijn niet in het convenant zelf geregeld. Het convenant spreekt de bereidheid tot samenwerking uit en de bereidheid daar afspraken over te (gaan) maken. Hoe die afspraken er al dan niet uit gaan zien is ter nadere uitwerking van de betrokken partijen. Het convenant geeft de mogelijkheid – en daarmee niet de verplichting - om (verdere) werkafspraken te maken in het zgn. “Handboek Uniform Optreden BOA’s provincie Utrecht”. De feitelijke inzet van de betreffende BOA wordt in dat handboek geregeld. In dit handboek kan de deelnemende partij bepalen welk BOA-optreden wel of niet gewenst is.

Gratis nieuwsbrief

Aanmelden of afmelden

De nieuwsbrief wordt dagelijks na 18.00 uur gemaild.
captcha